De uitdagingen van de toekomst

Grote multinationale bedrijven vormen vandaag ongetwijfeld de grootste bedreiging voor het leven van de vredesgemeenschap en andere campesino’s in de sierra’s van Abibe. Maar liefst twaalf megaprojecten zitten hier in de pijplijn. Het is duidelijk dat dit ook de belangrijkste reden is waarom de machthebbers de vredesgemeenschap hier weg willen. 

Vanzelfsprekend zijn er veel factoren die tot het conflict in Colombia hebben geleid, maar het bezit van grond is toch zonder twijfel één van de belangrijkste. Wat ooit officieel begon als een politiek conflict tussen conservadores (rechts) en liberales (links) stond niet los van het feit dat een elite van 3% eigenaar was van de helft van de landbouwgrond. Dit mondde in 1948 uit in een hevige burgeroorlog, ‘la violencia’. In tien jaar tijd kwamen minstens 300.000 mensen om. De vrede die in 1958 eindelijk werd gesloten tussen de partijen, zorgde ervoor dat beide politieke partijen om de vier jaar de macht zouden krijgen, onafgezien van verkiezingen. Dat maakte dat nieuwe partijen, waarvan de communistische degene was die het meest aan populariteit won, geen enkele kans had om deel uit te maken van het bestuur. Daarenboven was aan de ongelijke verdeling van land geen afdoende oplossing geboden. Dat heeft het ontstaan van de guerrillagroepen in de hand gewerkt, die opkwamen voor het recht van het volk op een leven in waardigheid, en tegen het grootgrondbezit en de uitverkoop van het land aan multinationale ondernemingen waren. Als antwoord op de guerrilla-groepen ontstonden de paramilitairen, vaak daarvoor privé-bewaking van de grootgrondbezitters en vanaf het begin nauw samenwerken met leger en politie en voor dezen vaak de ‘vuile taken’ uitvoeren.

Om een bron van inkomsten te hebben begonnen zowel guerrilla als paramilitairen met criminele activiteiten, eisten ze belastingen van het gewone volk en ontstond de drugsindustrie. De strijd van de guerillagroepen en de paramilitairen ging steeds minder over het nastreven van hun idealen en het opkomen voor zichzelf, en steeds meer over macht, geld en vooral grond.  Vooral de regio’s die vruchtbaar zijn, rijk aan grondstoffen of strategisch belangrijk hebben het hard te verduren.

Een van die gegeerde streken zijn de sierra’s van Abibe, waar de vredesgemeenschap leeft. Hier is namelijk alles. De bodem is zeer vruchtbaar en is rijk aan grondstoffen, zoals steenkool en olie. Bovendien is deze streek zeer strategisch gelegen, vlak bij de grens met Panama, en tussen de Atlantische en Pacifische Oceaan. Het geweld tegen de vredesgemeenschap heeft duidelijk niet alleen te maken met hun alternatieve en uitgesproken visie op het conflict, maar ook met de gigantische rijkdommen onder de grond. Wie vandaag deze gronden bezit en morgen kan doorverkopen aan multinationale ondernemingen kan veel geld verdienen. Tien kilometer ten noorden van San Josécito is steenkool gevonden. Ook in de buurt van twee andere nederzettingen La Esperanza en La Christalina zit steenkool. Er blijkt ook goud, coltan en kalksteen te zijn. Regelmatig worden boeren die hun gronden niet willen verkopen, bedreigd en bang gemaakt.

Al sinds 1997 azen onder andere Koreaanse bedrijven op deze gronden om er gigantische steenkoolmijnen te openen. Ze eisen wel van de Colombiaanse overheid dat er ‘orden publico’ is, geen sociale onlusten dus. In ruil voor de concessie willen ze een grote weg aanleggen van Urabá naar Medellin.

Maar voor de campesinos zullen deze open pit mijnbouwprojecten grote gevolgen hebben. Ze zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van het water uit de bronnen hoog in de sierras. Die zullen de volgende jaren door de klimaatverandering nog veel belangrijker worden. De biodiversiteit is hier enorm. Als de bronnen zelf of de rivieren door de mijnbouw zwaar vervuild of opgedroogd zijn, zullen de campesinos geen andere keuze hebben dan ergens anders naartoe te gaan. Waarnaartoe? Niemand die het weet. Als je een kaart van Colombia bekijkt met daarop de concessies voor goud-, petroleum-, of steenkoolontginning, lijkt heel Colombia wel in de uitverkoop. Een aantal concessies zijn al ouder, maar heel veel zijn verleend onder de vorige president Uribe.

Voor de mensen van de vredesgemeenschap is opnieuw vertrekken geen optie. Velen van hen zijn al een aantal keer helemaal opnieuw moeten beginnen op een andere plaats. Ze zijn vastberaden om te blijven en de mijnbedrijven zo lang mogelijk buiten te houden. Om die reden kopen ze gronden altijd als gemeenschap, en niet individueel. Het is veel moeilijker om een hele gemeenschap te bedreigen om hun grond te verkopen. Ze hopen in de toekomst een aantal van de belangrijkste waterbronnen te kunnen kopen om die zo te vrijwaren van vervuiling.

Hun resolute weigering om hun gronden af te staan is duidelijk een doorn in het oog van vooral de paramilitairen, die intussen het grootste deel van het gebied onder controle hebben. Het is vooral om deze reden dat de leden van de vredesgemeenschap te lijden hebben onder constante bedreigingen en nog steeds schendingen van mensenrechten, zoals het vernietigen van oogsten, valse beschuldigingen, onterechte aanhoudingen, etc…

De mijnen zijn niet de enige bedreiging voor de vredesgemeenschap. In Turbo, hier vlakbij, wil men de grootste cargohaven van Colombia bouwen. Als alles gaat zoals gepland, zullen de werken in maart 2016 van start gaan. Via de nieuwe Puerto Antioquia zullen alle producten uit Centraal-Colombia worden verscheept, die vandaag nog via de haven in Cartagena zo’n 100 kilometer noordwaarts gaan.

Maar de haven is ook van strategisch belang voor de mijnbouwbedrijven. Evenals de geplande aanleg van verschillende grote wegen. Voor de inwoners van Apartado zal de haven vooral veel extra vrachtverkeer betekenen, veel vervuiling en een pak nieuwe sociale problemen. Zelfs de grote bananenplantages zullen moeten verdwijnen voor de industrie.

De privatisering van het water behoort ook tot het lijstje van megaprojecten. Dit wil men onder andere kunnen verhandelen op drogere plaatsen in en buiten Colombia.

De politici beloven dat deze megaprojecten veel werk zullen verschaffen, en in een stad met een zeer hoge werkloosheidsgraad slaat deze boodschap aan. In oktober dit jaar zijn het lokale en departementele verkiezingen, en de leuzes klinken bij zowat elke partij hetzelfde: vooruitgang, ontwikkeling, werk. Over welke soort vooruitgang of ontwikkeling het gaat, vertellen ze er niet bij.

Op het moment dat wij in San Josécito zijn, vernemen we dat de president naar Apartado komt. We zoeken uit waar hij precies is, en rijden ernaartoe. We geraken er echter niet binnen. De veiligheidsmaatregelen zijn ongemeen streng. Overal staan politie en militairen. Onze taxi mag niet vlak voor de ingang van het park stoppen, hij moet ons een honderdtal meter verder afzetten. Enkel wie op een lijst staat, mag binnen. Zelfs gewone Colombianen krijgen zo niet de kans om hun eigen president te zien. Zijn speech is wel volledig te volgen via de radio. En nadien staat hij ook online op de website van de president. Het gaat helemaal over de positieve impact van de megaprojecten voor de bevolking.

Als we met mensen in de stad praten, verbaast het mij dat velen deze praatjes geloven. 70% van de werkende bevolking werkt hier op de bananenplantages van multinationale fruitbedrijven. Na jarenlange uitbuiting en ongezonde werkomstandigheden – sommige arbeiders werken zonder bescherming op het veld terwijl er vanuit vliegtuigen pesticiden worden gesproeid – zouden ze toch beter moeten weten?

Intussen zijn er in Havanna ook vredesgesprekken aan de gang tussen de overheid en de FARC. Dat is op zich positief, maar de campesinos geloven niet in een echte vrede. Ze zijn vooral bang dat deze de deuren wagenwijd zal openzetten voor de transnationale bedrijven. Dit zou voor velen het begin betekenen van een nieuwe strijd, deze keer geen binnenlandse terreur, maar een strijd tegen machtige economische tegenstanders van buitenaf.

Advertisements

“Alleen grond, zon en water nodig”

DSCN2473Een smal pad naar La Union, één van de andere nederzettingen van de vredesgemeenschap, is enkel te voet of met de muilezel begaanbaar. Net als in de andere nederzettingen is hier een agrarisch centrum. Ook wil men hier zijn eigen zadenbank aanleggen.

DSCN2448Javier Antonio Sanchez leidt ons rond op zijn plantage. De 6 hectare is eigenlijk van zijn zus, maar omdat die nu in de stad woont, bewerkt hij intussen het land. Een derde is voorzien voor cacaobomen. De cacao verkoopt hij op de markt. “Deze streek is altijd al een cacaostreek geweest, de cacao is onze identiteit”, zo vertelt hij.

Maar Javier oogst nog heel wat meer dan enkel cacao. Met zichtbaar heel veel liefde vertelt hij ons over zijn leven als landbouwer. Het is duidelijk dat hij hierover uren kan doorgaan. Hij vertelt ons alles over zijn fruitbomen, zoals papaya, maracuya, appelsienen, bananen, zapote,… Wanneer je moet zaaien, wanneer de vruchten rijp zijn, hoe hij biologisch bemest, etc. Alles wat hij weet over de landbouw heeft hij geleerd van zijn vader, die het geleerd heeft van zijn vader. Campesino zijn is meer dan een bron van inkomsten, het is een levenswijze. Op een ander deel verbouwt Javier maïs, bonen, yuca en rijst. “Altijd in deze volgorde”, zegt hij. “Om het land vruchtbaar te houden.”

In zijn proteïnenenbank verbouwt hij gewassen die als voedsel dienen voor de dieren. Daarnaast heeft hij een groot aantal medicinale planten als prima middel tegen de meeste gewone ziektes en koorts. Javier kent ze allemaal vanbuiten.

Javier teelt niet alleen gewassen, hij heeft ook heel wat dieren. “Het is een integrale boerderij.” Een paar koeien, meer heeft hij niet nodig, zegt hij. “Wat heb je aan honderd koeien? Enkele volstaan om genoeg melk te hebben voor de familie, kaas en boter te maken. Kippen zorgen voor eieren. Varkens, eenden en kalkoenen gaan regelmatig in de pot. De muilezels zijn voor een boerenfamilie in de bergen van levensbelang voor transport en werk op het veld. Deze dieren worden dan ook met veel respect behandeld. “Lastdieren zijn voor ons wat een auto is voor iemand in de stad.”DSCN2401

Maar ook het boerenleven van Javier, waar hij zo van houdt, staat onder zware druk. Niet door één, maar door een heel aantal bedreigingen, waarvan moeilijk is te zeggen welke groter is dan een andere.

15 jaar geleden was er hier zo goed als geen coca. Maar sinds 2005 zijn er steeds meer campesinos die zich hebben laten verleiden door de hoge opbrengsten en ruilen hun zelfvoorzienendheid in voor een lucratieve cocateelt. De guerrilla, maar vooral de paramilitairen zijn erg geïnteresseerd om de coca te kopen.Via het leger die de controle heeft over de grote havens, douane en overheden zijn zij veel beter in staat om de coca het land uit te krijgen.

Het probleem voor Javier is de RoundUp die in naam van de strijd tegen de drugs over de plantages wordt gesproeid. Aangezien de overheid via de paramilitairen mee profiteert van de cocahandel, is de strijd tegen de drugs, gefinancierd door de Verenigde Staten, veelal niet meer dan een schijnvertoning. De gifstoffen worden opzettelijk niet op de cocaplantages, maar wel op de vlakbij liggende velden van de campesinos gesproeid. In de nederzettingen La Esperanza en Mulatos verloren de campesinos vorig jaar op die manier niet alleen de oogsten voor hun eigen levensonderhoud, maar ook hun cacao. Bovendien zijn de gronden voor jaren vervuild en niet meer geschikt voor de biologische cacaoteelt.

Sinds kort is het product RoundUp fel besproken en voorlopig is het gebruik ervan ook in Colombia opgeschort.

Niet alleen voor de cocateelt willen de paramilitairen de controle over deze streek. Ze zijn bezig met het opkopen van zoveel mogelijk gronden van kleine campesinos. Vandaag willen ze die vooral voor de grootschalige veeteelt, maar ze zijn zich zeer goed bewust van de enorme rijkdommen die onder de grond zitten, vooral petroleum en steenkool. Als binnenkort de grote multinationals hier neerstrijken, kunnen ze de grond doorverkopen aan een veel betere prijs. Ook de bedrijven zelf geven er de voorkeur aan dat ze hun activiteiten kunnen beginnen op een plaats zonder teveel sociale weerstand…

Boeren die hun gronden niet willen verkopen worden regelmatig bedreigd. Een groot probleem hierbij is dat van het kadaster. Veel van de campesinos, ook in de vredesgemeenschap, bewonen huizen van mensen die in vroegere jaren zijn gevlucht. Ze hebben dus geen eigendomstitel en bijgevolg geen rechten. Anderzijds is de vredesgemeenschap ook niet erg geïnteresseerd in deze ‘vellen papier’ omdat dit ook zou betekenen dat ze belasting moeten betalen. Wie belasting betaalt, heeft het recht ook diensten terug te krijgen van de staat. En dat is voor de leden van de vredesgemeenschap hoegenaamd niet het geval. Waarom zouden we dan belastingen betalen? Ze geloven ook niet dat een officieel document veel verschil zal maken in hun strijd voor hun gronden.

De vredesgemeenschap heeft een ‘universidad campesina’. Het is niet zozeer een echte universiteit, maar wel een event dat een drietal keer per jaar wordt georganiseerd. De bedoeling ervan is dat verschillende boerengemeenschappen ervaringen kunnen uitwisselen over bijv. gewassen. Een deel van de universidad campesina is de oprichting van een zadenbank. Op die manier willen de leden van de gemeenschap hun eigen inheemse zaden bewaren en beschermen. Het project is nog maar net opgestart en er is nog veel werk aan de winkel, maar ze begrijpen allemaal heel goed hoe belangrijk dit is. “Onze eigen zaden zijn fundamenteel voor ons, boeren”, zegt Javier. Ook dat zou wel eens kunnen veranderen. Een aantal jaren geleden voerde de vorige Colombiaanse overheid een nieuwe wet in die boeren verplichtte om gecertificeerde zaden te gebruiken, die zo goed als uitsluitend worden geproduceerd door grote multinationals als Monsanto. Nota bene dezelfde die de velden van de campesinos met giftige stoffen kapot maken. In andere streken werden toen tonnen rijst en maïs vernietigd enkel en alleen omdat die niet gecertificeerd was. In 2013 braken zware protesten uit van campesinos uit heel Colombia. Ze hadden een sterk argument. De overheid is verplicht inheemse en/of boerengemeenschappen te conulteren als ze een nieuwe wet wil invoeren die een impact zal hebben op deze gemeenschappen. Dat was niet gebeurd. Onder die druk heeft de huidige regering de wet voorlopig opgeschort. Maar ze kan op elk moment opnieuw worden geactiveerd. De vrijhandelsakkoorden met de Verenigde Staten en Europa maken de dreiging alleen maar groter.

Op veel hulp van de overheid moeten de campesinos niet rekenen. “Als we hulp vragen, zijn militairen het enige wat we krijgen, zogezegd voor de veiligheid. Maar die hebben we niet nodig.”

Ook de klimaatverandering voelt Javier hier al zeer hard. “Vroeger was het hier zomer van november tot april. Van mei tot oktober was het regenseizoen. Begin mei werd hier telkens een feest gehouden voor het begin van de regenval. Maar dat gebeurt niet meer. Want het is toch elk jaar anders. “Soms is het twee maanden zomer, dan regen, dan weer zomer. Soms is het een paar maanden winter.” Het probleem is dat de campesinos, die vroeger de natuur door en door kenden, vandaag het weer niet meer kunnen voorspellen. Dat kan nefast zijn voor het zaaien en oogsten.

Maar er zijn plaatsen waar het nog veel erger is, zegt Javier. Voor hem is het simpel, plaatsen die getroffen worden door droogte, zijn er het ergst aan toe. “Water is het belangrijkste wat er is. Water is leven. Als je water hebt, heb je geen honger.”

DSCN2445“Ik weet niet wat de ‘groten’ doen om het probleem op te lossen, maar wij hier doen ons best om de aarde leefbaar te houden, de natuur te beschermen, bomen te planten, het water zuiver te houden. Al is het maar een druppel op een hete plaat, we doen wat we kunnen. En ik ben er zeker van dat steeds meer mensen dat zullen doen.”

“We vragen echt niet veel, enkel een stuk grond, zon en zuiver water, dat is alles wat we nodig hebben om een gelukkig leven te hebben.”

Samenwerking loont

Een van de pijlers waarop de vredesgemeenschap is gebouwd, is het gemeenschapswerk. Elke donderdag doet iedereen, klein en groot, mee aan de taken in het belang van de hele gemeenschap. Samenwerking is hier zeer belangrijk.

Begin dit jaar kregen alle 42 huizen een betonnen vloer. Daarvoor was veel zand en stenen nodig uit de rivier, zo’n 10 cubieke meter per woning. Alle sterke mannen voerden dat tezamen naar boven, maar ook de kinderen hielpen mee. Niet dat zij met hun klein emmertje effectief een verschil maakten, maar op die manier leren ze van jongsaf aan dat samenwerken aan een gemeenschappelijk doel voldoening geeft. Bovendien geldt hier ook bij alles wat hier gebeurt het principe van solidariteit en wie de meeste nood heeft. Dat waren hier oudere vrouwen, en alleenstaande moeders met kleine kinderen.

Elke donderdag staat er voor de leden van San Josécito het gemeenschapswerk op het programma. De consejo interno (de interne raad) stelt een lijst op van de taken die die week moeten worden uitgevoerd. Iedereen kan woensdagavond zelf zijn of haar taak kiezen. Er is bijna geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, behalve voor de allerzwaarste taken. De vrouwen hebben hier trouwens wel geleerd hun mannetje te staan. Doordat velen hun echtgenoot verloren in de strijd, moesten ze zowel voor de kinderen zorgen als al het werk op het veld doen om voor eten te zorgen. “Meer nog”, zegt Arley, lid van de consejo interno, “het zijn de vrouwen geweest die steeds wilden doorgaan en niet wilden opgeven. We hebben het waarschijnlijk aan hen te danken dat we nog bestaan als vredesgemeenschap.”

Er zijn tal van taken: deze week werken ze verder aan een hek rondom de wei voor de koeien. Anderen verwerken de suikerriet tot suiker of panela, een soort honing, waarmee ze onder andere hun koffie zoeten. Ook de vispoelen moeten worden voorbereid. In de nieuwe putten moeten zakken koeienmest, die het water zuivert. Binnenkort kan de gemeenschap zelf verschillende vissoorten kweken. De allerkleinste kinderen ruimen al het afval op. Ook zij dragen hun steentje bij. De gemeenschap heeft ook haar eigen schrijnwerker. Die maakt alle meubelen, van bedden tot tafels, deuren en kasten. Dat doet hij elke dag, maar op donderdag geeft hij ook les aan jongeren die ook de stiel willen leren. De leden van de gemeenschap kopen normaal gezien hun meubels, maar ook hier geldt dat wie echt nood heeft aan bijvoorbeeld een bed, maar dit niet kan betalen, dit krijgt van de gemeenschap.

Een van de grootste bron van inkomsten voor de gemeenschap is de cacaoplantage. De cacao wordt biologisch geteelt en heeft ook het Fairtrade-label. Vandaag worden 400 zakken van 60 kilo één voor één in de vrachtwagen geladen. Die gaat naar Engeland. Cacao brengt zo’n 4.000 pesos per kilo (ong. 1,5 euro) op. Het geld gebruiken ze voor de aankoop van bijv. bouwmaterialen, boeken voor de bibliotheek, schoolgerief, etc. Hun eigen scholen en alles wat ze nodig hebben financieren ze immers al tien jaar zelf, omdat ze geen enkele steun meer krijgen van de Colombiaanse overheid. België en andere landen geven ook wat steun.

Behalve de gemeenschappelijke cacaoplantage, is ook een deel voor de leden van de gemeenschap. Werkgroepen van drie of vier personen bewerken een stuk van het land. Ze zorgen zelf voor de verwerking, de selectie en de droging van hun cacaobonen. De opbrengst van hun eigen stuk grond is voor henzelf. Meestal verkopen zij hun cacao aan de gemeenschap, die het weer verder verkoopt op de markt. Elk jaar produceren ze alles tezamen 75 ton voor de export naar Duitsland en Engeland. Een deel wordt verwerkt tot Fairtrade chocolade, het grootste deel gaat naar cosmetische bedrijven. Cacao brengt vandaag goed op, en de gemeenschap zou dan ook graag nog meer cacao planten om de productie op te drijven. Vroeger verbouwden ze ook babybananen voor de export, maar doordat ze geen chemische producten gebruiken, bleken de bananen niet bestand tegen de lange reis over zee.

Het doel van het gemeenschapswerk is niet enkel praktisch, maar echt te leren met anderen samen te werken. Zich in groep verplaatsen of op het veld werken zorgt ook voor een zekere vorm van veiligheid tegen de mogelijke agressie die steeds tegen hen dreigt.

Hun hele economie staat in het algemeen belang en is in de eerste plaats erop gericht om voedselzekerheid te garanderen voor iedereen. Door de vele wegblokkades die er in het verleden zijn geweest, waarvan de langste liefst drie jaar heeft geduurd, hebben de leden van de gemeenschap geleerd om zelfvoorzienend te zijn. Ze verbouwen zelf hun groenten, fruit en medicinale planten. Wat ze niet zelf consumeren, verkopen ze aan anderen binnen de gemeenschap. De ene verkoopt brood, een ander heeft varkens, weer iemand anders maakt panela, etc…

Het gemeenschapswerk, tezamen met een eigen economisch systeem, duurzaam en solicair, zorgt ervoor dat iedereen ‘voldoende’ heeft.

Hoe kleine San José groot werd

Vanuit Bogotá nemen we het vliegtuig naar Apartado, in het noordwesten van Colombia, in het departement Antioquia. Deze streek is nog steeds een centrum van de strijd tussen guerrilla en militairen, en vooral paramilitairen. Op het moment dat wij hier zijn, is er wel net een eenzijdig staakt-het-vuren van de FARC.

In de stad zelf heerst een vreemde sfeer van berusting. De militairen, hoewel voor ons niet erg zichtbaar, zijn zeer aanwezig, maar de mensen lijken het te hebben geaccepteerd. Voor de meesten is de ‘gemilitariseerde rust’ van vandaag beter dan de hevige strijd van de voorgaande jaren. Maar ze zijn duidelijk ook bang om te praten.

Nu trekken we van de stad weg, over een onverharde weg vol putten, door ongerept woud, afgewisseld met kleine dorpjes en grote bananenplantages nog dieper de sierra’s van Abibe en de strijd in. Regelmatig komen we een groepje militairen tegen die langs de kant van de weg staan. Twee weken geleden nog werden in de buurt militairen gedood door de guerrilla. Een week later kondigde die laatste eenzijdig een staakt-het-vuren af, maar ze weigert haar wapens in te leveren zolang er geen akkoord is.

Niets doet vermoeden dat net hier een gemeenschap woont die alle geweld heeft afgezworen. San Josécito is één van de elf nederzettingen van de ‘comunidad de paz’, de vredesgemeenschap. Van zodra we door de poort binnenrijden overvalt je, temidden van een overweldigende natuur, een gevoel van harmonie en rust. Kinderen komen meteen naar ons toe, onze gastvrouw zuster Mariela ontvangt ons hartelijk. We staan meteen met een verse mango in onze handen.

De vriendelijkheid en lachende gezichten staan in schril contrast met de geschiedenis van de vredesgemeenschap, één van onnoemelijk veel slachtoffers en onrechtvaardigheden.

De eerste vredesgemeenschap werd gesticht in 1997 door een aantal campesinos die tijdens de jaren van de ‘violencia’ tussen 1948 en 1958 uit andere streken hiernaartoe waren gevlucht. In 1970 stichtten zij San José, naar de patroonheilige van de landbouwers. Maar ook in deze streek nam het geweld toe. In 1977 vond een eerste grote massamoord door de guerrilleros op de campesinos plaats. Sindsdien is er voortdurend geweld geweest tegen de lokale boeren. Zowel de militairen, die veelal opereren samen met paramilitaire troepen, als de guerrilla wil de controle over deze streek omdat het land zeer vruchtbaar is en rijk aan grondstoffen zoals petroleum, steenkool, goud en coltan. In de jaren ’90 verergerde het conflict. In september ’96 en februari ’97 richtten de paramilitairen hier twee grote bloedbaden aan.

Degenen die niet opnieuw op de vlucht gingen, gingen op zoek naar een alternatief, een geweldloze manier van verzet. Ze lieten zich inspireren door de levenswijze van de indigenas. Om hun idee vorm te geven, riepen ze de hulp in van het Rode Kruis. Die weigerde echter, omdat ze enkel bemiddelt tussen twee gewapende partijen, en niet met een burgerpartij. Vervolgens klopten ze aan bij de katholieke kerk. Die wilde wel bemiddelen.

In dit vijandig klimaat en in aanwezigheid van nationale en internationale organisaties werd op 23 maart 1997 de vredesgemeenschap officieel ingehuldigd. De principes van vrijheid, solidariteit, geweldloos verzet en rechtvaardigheid zijn even simpel als onwaarschijnlijk moeilijk. Hun enige vraag voor een stuk land en recht op een waardig leven volkomen gerechtvaardigd.

Desondanks begrepen de stichters dat ze op hevige tegenstand zouden stoten. Diegenen die een comfortabel leven wilden, konden beter ergens anders naartoe gaan, zo zeiden ze uitdrukkelijk. Alleen wie bereid was zijn leven te offeren, kon blijven.

Dat bleek geen loos advies. Nog geen acht dagen na de ondertekening vielen de paramilitairen binnen en
Sinds 1997 werden minstens 300 mensen van de vredesgemeenschap gedood, de meesten door militairen en paramilitairen. Wie niet voor hen is, is tegen hen. Neutraliteit is voor hen niet mogelijk. Nochtans wordt het recht om neutraal te zijn in een conflict erkend in het Internationaal Recht.

In 2001 organiseerden de paramilitairen een wegblokkade, die liefst drie jaar duurde. Alle voedseltransporten werden tegengehouden, veel chauffeurs ook vermoord, met de bedoeling hen uit te hongeren. Ook mensenrechten werden hier voortdurend met de voeten getreden. Huizen werden in brand gestoken, vrouwen verkracht, landbouwgewassen gestolen, leiders onterecht vervolgd, etc. Dit gebeurt allemaal zonder dat er ooit iemand voor wordt veroordeeld. Schendingen van mensenrechten en moordpartijen worden gerechtvaardigd onder het mom van de strijd tegen de guerrilla.
In 2005 richtten de paramilitairen een bloedbad aan in de nederzetting Mulatos. Acht mensen werden koelbloedig vermoord, zogezegd omdat het guerrillero’s zouden zijn. Kort daarop kwam er een nieuwe militaire basis in San José. De inwoners van de vredesgemeenschap, die op geen enkele manier betrokken willen zijn bij het conflict en ook geen gewapende personen dulden op hun grondgebied, trokken er daarom weg.

Een beetje lager, midden in het regenseizoen, begonnen ze opnieuw van nul bij de bouw van een nieuwe nederzetting San Josécito. Vele gezinnen stroomden er toe, maar in het begin was er helemaal niets. Kinderen kregen cholera en andere ziektes. Snel werden een aantal huisjes gebouwd, in hout, en zonder vloer. Er was geen sanitair, geen elektriciteit.
Vandaag wonen er 42 gezinnen en ziet het dorp er helemaal anders uit. Pas dit jaar, en met financiële steun vanuit andere landen, kreeg elk huis van ongeveer 32m2 een betonnen vloer. Een aantal huizen heeft een douche en wc, maar nog lang niet allemaal. Sommige gezinnen wonen nog steeds in precaire toestanden. Achter één van de woningen is slechts een wasbak en een wc, maar zonder enige privacy. De afvoer is ook nog niet aangesloten op het rioleringsstelsel. Het water vormt achter het huis een beekje, waarover de eigenaar met een houten plank een brugje heeft gemaakt.
Elk huis voorzien van een degelijk sanitair is nu één van de prioriteiten.

Ondanks deze absolute basisbehoeften hebben de inwoners van in het begin zorg gedragen voor het milieu. Alle woningen zijn gebouwd met duurzaam materiaal. De riolering is aangesloten op een groot waterreservoir, waar het vuile water wordt gezuiverd voordat het in de rivier terecht komt.
Ook hebben ze een aantal zonnepannelen die momenteel voor 20% van alle elektriciteit zorgt. De rest komt van het normale net, maar ze betalen hier zeer duur voor. Ze willen daarom zo snel mogelijk volledig zelfvoorzienend worden met duurzame energie.

Wie hier wil wonen, moet akkoord gaan met een aantal principes en waarden. Centraal in alles wat ze doen staat ‘la humanidad y dignidad’, menselijkheid en waardigheid. Niet alleen voor zichzelf, of hun gelijkgezinden in de gemeenschap, maar voor iedereen. Dat tonen ze op een bijna onwerkelijke wijze. Wanneer vlak bij hen een soldaat sneuvelt in de strijd, geven ze die zonder meer een waardige begrafenis, ongeacht van welk kamp hij is, ongeacht wat ze zelf door diezelfde partijen hebben moeten lijden. Op hun eigen begraafplaatsen, vol met hun eigen slachtoffers, liggen ook paramilitairen. Het is niet aan hen om te oordelen, zeggen ze…

De doden gaan hier nooit weg. In tal van herdenkingsplechtigheden worden zij geëerd. Iedereen hier kent de gruwelijke verhalen van alle slachtoffers van het geweld. “Zij zijn steeds bij ons en geven ons de kracht om door te gaan”, zegt doña Brigida mij, één van de grondlegsters van de vredesgemeenschap en vorig jaar verkozen tot ‘rebelde van het jaar’ door Belmundo in Gent.

Mede dankzij de steun van de internationale gemeenschap is het geweld de laatste jaren gelukkig afgenomen. Geweld lijkt nu eerder machtsvertoon. De paramilitairen willen vooral angst zaaien in de hoop dat velen zullen vertrekken en de vruchtbare gronden achterlaten. Dat doen ze door bedreigingen en valse beschuldigingen. Op tv wordt van tijd tot tijd propaganda gevoerd tegen de vredesgemeenschap, regelmatig worden flyers uitgedeeld in de vlieghavens van Apartado en Medellín. Daarin worden de inwoners van de vredesgemeenschap telkens voorgesteld als guerrillero’s. Soms worden mensen zelfs omgekocht om valse getuigenissen af te leggen tegen de vredesgemeenschap.
Het gebeurt ook dat beschuldigingen gericht zijn aan een specifiek persoon. Hermán, een zeer rustige, gereserveerde jongeman is zo iemand. Een tijd geleden gebeurde er een dramatisch ongeval in de woning van zijn zus. Haar kindjes van 6 e en 7 jaar oud hadden een geweer gevonden in huis en waarschijnlijk heeft de oudste zoon per ongeluk het wapen laten afgaan. Nu wordt Hermán ervan beschuldigd zijn neefje te hebben vermoord en lid te zijn van de guerrilla.

Kippen, kalkoenen, honden en katten lopen in het rond. Kinderen spelen. Iedereen lacht. Niets hier doet vermoeden dat deze mensen zoveel onrechtvaardigheden hebben geleden. De kracht waarmee ze blijven strijden voor hun idealen is onbeschrijfelijk.

Ontmoeting met sterke vrouwen

Vandaag ontmoeten we in Bogotá Maria Ubilerma en Pilar Navarrete. Hun verhaal is even ongelooflijk als afgrijselijk.  

6 november 1985: de guerrilla-groep M19 valt het justitiepaleis binnen. Wat wil ze? Onderhandelen. Nog geen 15 minuten later heeft het leger het gebouw omsingeld. Even later rijden tanks het gebouw binnen. Het Bolivarplein lijkt de volgende 28 uur op een oorlogssite. Het justitiepaleis wordt gebombardeerd en gaat volledig in de vlammen op. Honderden mensen komen om in de brand, niet alleen magistraten, maar ook personeel en toevallige aanwezigen. Twaalf mensen verlaten het gerechtsgebouw levend, zo is op videobeelden te zien. Op de hoek van de straat worden ze in een voertuig van het leger geduwd. Eén van hen is Hector, de echtgenoot van Pilar. Het is het laatste beeld dat ze van hem heeft. Sindsdien is hij één van de meer dan 45.000 “desaparecidos”, de “verdwenenen” in Colombia.
Pilar, de echtgenote van HectorPilar was op dat moment, nu 30 jaar geleden, 20 jaar. Ze hadden vier kinderen. “In het begin”, vertelt ze, “blijf je hopen dat hij op een dag levend terug zal komen.” In de jaren ’80 kwamen verdwijningen van politieke tegenstanders ook in andere Zuid-Amerikaanse landen veel voor. Regelmatig hoorde ze verhalen over mensen die, weliswaar zwaar gefolterd, toch werden teruggevonden. Ook van ‘hun’ groep kwamen twee studenten terug. Van de anderen, en van Hector geen spoor. De hoop op een goede afloop verkleinde ongeveer evenredig met het verstrijken van de tijd.

DSCN2315Jaime, de 16-jarige zoon van Maria vertrok op 6 februari 2008 naar zijn vriendin. Hij kwam nooit meer thuis. Maria is één van de moeders van Soacha, een buitenwijk van Bogotá. Ze vertelt haar verhaal tot in de kleinste details. Voor haar is dit een vorm van therapie.
De dag na de verdwijning van haar zoon deed ze aangifte bij het politiecommissariaat van Soacha. Daar wist men niets. Ze werd naar Bogota gestuurd en van daar… weer terug. Geen enkele instantie kon of wilde informatie geven of helpen. Liefst acht maanden leefde Maria in onzekerheid over wat er met haar zoon was gebeurd. Pas toen haar dochter op tv iets zag over gesneuvelde guerrilleros in het departement Santander, 18 uur rijden van Bogota, begonnen ze het ergste te vermoeden.

Maria nam de bus naar Santander, om haar zoon te identificeren. Ze kreeg één foto te zien van een zwaar toegetakelde jongen – een blauw en gezwollen oog, bloed aan de mond, Ze kon niet geloven dat dit haar zoon was. Om zeker te zijn volgde een gebitonderzoek. Dat bevestigde datgene wat ze niet wilde weten. “Op dat moment is mijn leven gestopt”, vertelt Maria.
Omdat de familie geen geld had om het lichaam over te brengen naar Soacha, duurde het nog twee maanden voordat Jaime thuis was. Hij kwam aan, gewikkeld in krantenpapier en plastic…

Pilar heeft haar man nooit teruggevonden. Ze had zich samen met de familieleden van de andere elf vermisten verenigd. Al snel kwamen ze erachter dat hun zoektocht werd gedwarsboomd. Niet alleen werden de militairen in de media steevast voorgesteld als helden. Eén van de advocaten die hen juridisch bijstond, werd 17 jaar geleden vermoord. Al hun andere advocaten hebben meermaals bedreigingen ontvangen.
Pilar gaat er nu van uit dat het lichaam van Hector is opgelost in ongebluste kalk. Ze zegt het bijna als een fait divers. “Ik ben al lang niet meer op zoek naar mijn man, enkel nog naar de waarheid, ik wil weten wat er precies is gebeurd, en ik wil dat de verantwoordelijken worden gestraft.”
Een aantal jaar geleden werd een generaal veroordeeld tot dertig jaar cel voor de gebeurtenissen in het justitiepaleis. Tijdens zijn proces verdedigde hij zich nog door te zeggen dat hij “de democratie wilde redden.” Vijf jaar later verleende de nieuwe president Uribe echter gratie en kwam hij terug vrij. Eén kolonel zit wel nog in de cel.

Maria gelooft niet dat haar zoon guerrillero was. Volgens de officiële documenten is hij op 8 februari gedood, twee dagen na zijn verdwijning.
In Colombia verdwijnen regelmatig jonge mannen. Falsos positivos worden ze genoemd. Het is een praktijk die al lang bestaat, maar sinds het presidentschap van Uribe exponentieel is toegenomen. Hij voerde een nieuwe wet in, die militairen beloont voor elke guerrillero die ze doden. Dit heeft ervoor gezorgd dat de militairen jongemannen ontvoeren, uitdossen in guerrilla-uitrusting en hen neerschieten, enkel en alleen om deze beloning op te strijken. Deze wet is nog steeds niet aangepast.

Op een dag in 2010 gaat Maria haar kleinkinderen van school afhalen. Een donkerblauwe auto rijdt hard op haar in. Wanneer ze uitstapt, duwt een man haar tegen de muur en ‘verwittigt’ haar geen klacht in te dienen. “Maar ik mag niet zwijgen”, vertelt ze, “ik moet blijven vechten voor gerechtigheid. Als ik zwijg, ben ik medeplichtig.” Maar na zeven jaar is er nog niet één hoorzitting geweest over de zaak…

De straffeloosheid voor daders van schendingen van mensenrechten is in Colombia al jaren dramatisch. Vandaag werkt de regering, ondanks de vredesonderhandelingen, aan een nieuwe wetgeving die dit nog dreigt te vergroten. Onder andere wil men de definitie van delicten als daden van militaire dienstplicht uitbreiden. Die komen voor de militaire rechtbank, die partijdig en niet onafhankelijk is en dus hoegenaamd geen gerechtigheid verzekert. Vorig jaar al waarschuwden twaalf mensenrechtenspecialisten van de VN dat de nieuwe wet een ernstige achteruitgang betekende op het vlak van mensenrechten.

Het gevecht van Pilar en Maria is daarom des te moediger. “Er is intussen een grote beweging ontstaan van familieleden, vooral vrouwen, van “desaparecidos”. Er komen steeds meer mensen bij.” De strijd van Maria voor gerechtigheid van haar zoon is inmiddels een strijd voor 3.388 gelijkaardige verdwijningen. Ze doet dit vooral door zoveel mogelijk haar verhaal te vertellen. Vorig jaar reisde ze door Europa om mensen te laten weten wat er gebeurt in Colombia. Ze krijgt ook veel steun van organisaties uit het buitenland, ook België.

De organisatie van Pilar organiseert elk jaar op 6 november een herdenkingsplechtigheid voor het nieuwe justitiepaleis. “We willen de herinnering aan onze geliefden levend houden en die aan wat hier is gebeurd. Net in het huis van de gerechtigheid gebeurde één van de grootste onrechtvaardigheden.”

Na het horen van deze getuigenissen worden we nog verwacht op een persconferentie van CCAJAR, een collectief van advocaten die zich toeleggen op mensenrechtenschendingen. Een paar weken geleden is er een explosie geweest in Bogotá, waarvoor 15 mensen werden opgepakt. Studenten, leiders van sociaal verzet, zelfs een medewerkerker van CCAJAR zelf. CCAJAR gelooft niet dat zij de schuldigen zijn voor de aanslag, maar dat het ook een manier is om tegenstanders uit te schakelen. Over vier maanden zijn er verkiezingen. Sommigen vermoeden dat Uribe zelf achter de aanslag zit, om zo een angstklimaat te voeden en de aanwezigheid van politie en militairen in de straat, een belangrijk programmapunt van zijn partij, te rechtvaardigen.
De persconferentie is afgelast. Alle 15 personen zijn al veroordeeld tot dertig jaar celstraf.